gemaakt op : 12 september 2018

Affur de rucloamebordu (102)

Achter de reclameborden is een kroniek van niet alledaagse gebeurtenissen rondom het sportveld. Opmerkelijke en minder opmerkelijke zaken passeren hierin de revue.

Balt

Nico Dijkshoorn. U kent hem vast wel, columnist bij VI maar bovenal schrijver en eigentijds samenvatter bij de Wereld Draait Door. Nico heeft in 2009 een boek geschreven over een imaginaire voetballegende genaamd Kuif den Dolder. Dit boek is zeker een aanrader voor iedere voetbalromanticus want Dijkshoorn neemt je niet alleen terug naar de tijd dat voetbal nog enkel en alleen voor vermaak werd gespeeld maar ook van legendarische namen zoals Zweep Dukels, Dolf Seegers, Schuit den Bever, Douwe Kiebels en Kuitje Ruwiel. Die spreken van nu tot aan de eeuwigheid hoe dan ook tot de verbeelding althans, wel voor mij. Een naam die daarin niet zou misstaan is Balt Gmelig. Prachtige, unieke voetbalnaam. Maar het mooie is, Balt Gmelig bestaat echt en hij heeft nog in een heel ver verleden voor Spakenburg gespeeld. Ik kan mij uiteraard sterk vergissen maar Balt was de eerste speler van de Blauwen die betaald werd. Niet door een suikeroom of speciale stichting, nee door nota bene een medespeler: Lou Beukers. Iets wat tegenwoordig volstrekt maar dan ook echt volstrekt ondenkbaar is. Lang heeft hij niet bij Spakenburg gespeeld want het jaar nadat hij met Spakenburg in 1974 kampioen werd, raakte Balt aan zijn knie geblesseerd na een onschuldig potje zaalvoetbal. Balt was zaterdag aandachtig toeschouwer bij Spakenburg-Katwijk in de hoedanigheid van journalist want hij schrijft voor de Gooi- en Eemlander. Na afloop sprak ik kort met beide hoofdrolspelers en kwam het bovenvermelde uiteraard even ter sprake.

Laat Nico Dijkshoorn dit aub niet horen of lezen want een tweede editie van Kuif den Dolder is zomaar in de maak. 

De houvast dankzij Selimi
Zaterdag jl. won Spakenburg eigenlijk best wel verrassend van regerend kampioen Katwijk. Vooraf werd door menigeen getekend voor het welbekende puntje maar dat dat er uiteindelijk 3 zouden worden, had menig optimist niet durven dromen. De wedstrijd in een notendop: Spakenburg was de eerste 25 minuten zeker niet minder dan Katwijk. Weliswaar was het meeste balbezit voor de Kattukers, Spakenburg had daarentegen volledig controle over de partij. Nick de Bondt had moeten scoren maar daar waar de Bondt faalde, deed Mengerink dat niet vanuit een op het oog veel moeilijkere situatie. Daarna speelde Katwijk met Spakenburg en was de achterstand tot aan de rust niet alleen terecht maar gelukkig ook nog overbrugbaar. Na rust was Spakenburg veel dreigender, doelgerichter, effectiever en aantrekkelijker dan niet alleen de eerste helft maar ook dan al die weken daarvoor. Daar was maar één man voor verantwoordelijk: Argjend Selimi. Wat kan hij terugkijken op een geweldige invalbeurt. Wat Frenkie de Jong teweeg bracht bij Oranje eerder deze week tegen Peru deed Selimi dat afgelopen zaterdag voor Spakenburg.

Natuurlijk weet ik ook wel dat het meer was dan dat. Gravenbeek ging bijvoorbeeld meer vanuit de as spelen, Sterling nam de spitspositie in en de rode kaart bij Katwijk was ook meer dan welkom. Maar die invalbeurt van Selimi zal voor altijd de boeken ingaan als het kantelpunt van deze topwedstrijd. Of zoals wij na afloop binnen ons vaste groepje supporters van Vakkie D concludeerden: wij hebben na die tweede helft niet alleen de drie punten maar ook weer een houvast!

Tijmen Beekhuis

Spandoek
Twee jaar geleden, tijdens de laatste editie van Spakenburg – Katwijk, hadden de supporters van de oranjehemden een spandoek opgehangen. De tekst: ‘echte mannen vissen op de Noordzee’. Goed spandoek, raak citaat. De medebewoners van Vak D erkenden destijds ook allemaal dat tegen dit spandoek niet zoveel viel in te brengen.

Zaterdag jl. stond de klassieker tegen titelhouder Katwijk weer op de voetbalkalender. Ik was erg nieuwsgierig of de supporters van Katwijk dit spandoek weer hadden meegenomen. En ik was benieuwd of onze Blauwe supporters wellicht een gevat antwoord hadden gevonden. Helaas, er waren geen blauwe of oranje spandoeken zichtbaar. De aanhangers uit het vissersdorp aan de Noordzee hadden slechts een aantal oranje-zwart geblokte vlaggen meegenomen.

Het aantal supporters van de bezoekende club viel mij overigens flink tegen. Waarschijnlijk het gevolg van de veiligheidsmaatregelen met o.a. een combiregeling omdat deze wedstrijd was aangemerkt als risicowedstrijd.

Jammer. Want deze, vooral in de 2e helft, meeslepende wedstrijd had meer toeschouwers verdiend. En meer spandoeken.

Juichen
De laatste weken zie je het weer voorbij komen. Scorende spelers die een juichend toneelstukje opvoeren. Ik word altijd een beetje ongemakkelijk van zo’n ingestudeerd kunstje want je ziet van alles voorbij komen; van schoenen poetsen tot plassende hondjes. Maar ook het wijzen naar de eigen naam op de achterkant van het shirt of het ‘stilte-gebaar’ met de wijsvinger voor de mond kan ik maar moeilijk verdragen. En dan heb ik het nog niet eens over andere maniertjes zoals het hartje gemaakt met beide handen of het wiegen met de armen om aan te tonen dat er een baby is geboren. Ik vind het tenenkrommend. Omdat het bedacht is en daardoor onecht.

Voor mij is juichen mooi als het spontaan en oprecht is. Als de basis pure blijdschap is en een explosie van emotie. Een klassiek voorbeeld daarvan is het juichen van Marco Tardelli nadat hij de 2-0 had gescoord voor Italië in de WK finale van 1982 tegen West-Duitsland.

Je ziet het vaker. Spelers die, net zoals Tardelli, bijna nooit scoren en op het moment dat het dan een keer gebeurd, niet weten wat ze doen. Ze juichen onhandig en ongecontroleerd. Vaak te kort, soms te lang. Esthetisch gezien verdient het niet de schoonheidsprijs. Maar het ontroert des te meer. Want het is oprechte emotie. Zuivere blijdschap. Waar juichen voor bedoeld is.

Ik heb het vermoeden dat ik voor dit juichen dit seizoen bij onze Blauwe club op mijn wenken bediend ga worden. Deze jaargang geen verveelde gebaartjes, gelikte toneelstukjes of geveinsde vrolijkheid van een topschutter, maar het ongecompliceerde juichen van een bikkelende middenvelder of noeste verdediger. Want Spakenburg heeft geen scorende spits in de selectie. Geen koele afmaker die er per seizoen een stuk of 20 in het mandje legt. Geen doelpuntenmachine die heeft nagedacht over wat hij gaat doen na weer een goal. Nee, in plaats daarvan hebben wij veel spelers die dit seizoen één of twee goals gaan maken.

Mike Vreekamp, Giovanni Gravenbeek en Barry Beijer hebben inmiddels het spits afgebeten. En het was meteen genieten. Na de fraaie goal van Mike tegen Barendrecht maakte hij, tijdens zijn oneindige run langs de tribune, een armgebaar naar z’n teamgenoten alsof hij wilde zeggen; ‘deze kant op’. Hier waren duidelijk geen afspraken over gemaakt.

En tegen Katwijk heb ik genoten van de veel te lange en vreemde sprint van Giovanni naar de dug-out. Eindelijk daar aangekomen probeerde Nick de Bondt op de rug van de doelpuntenmaker te klimmen. Wat grandioos mislukte. Het zag er koddig uit. Dit was zeker geen ingestudeerd kunstje.

En er werd al helemaal geen toneelstuk opgevoerd nadat Barry Beijer had gescoord. Bij het juichen liep onze aanvoerder een kopstoot op van de wat te enthousiaste Cendrino Misidjan.

Ik vind het prachtig. Het authentieke, soms onhandige en voor het oog incomplete juichen van onze Blauwe doelpuntenmakers toont de ontwapende schoonheid van het onvolmaakte. Je voelt de sympathieke warmte van de onwennigheid. En dat maakt het niet alleen vermakelijk maar zeker ook charmant. Ik kan daarom niet wachten tot het volgende ongepolijste juichmoment. 

Hille Beekhuis