Achter de reclameborden is een kroniek van niet alledaagse gebeurtenissen rondom het sportveld. Opmerkelijke en minder opmerkelijke zaken passeren hierin de revue.
Afscheid (1): ruis
Toen wij met het redactieteam van Door De Blauwe Bril besloten om een podcast te maken over onze kantine, kwamen er plotseling herinneringen in ons naar boven die ons inziens gedeeld moesten worden. Al was en is het alleen al voor de overlevering. Overigens moeten jullie niet al te veel bij dat redactieteam voorstellen want dat zijn Jaap, Hille en ondergetekende. Inderdaad, de makers van de podcast zelf.
In mijn zoektocht naar verhalen maar bovenal feiten, kwam ik uit bij de website Bagviewer van het Kadaster. Daaruit blijkt dat het gebouw oorspronkelijk stamt uit het jaar 1966, het geboortejaar van Hille, een jaar voor mijn geboortejaar en liefst zes voor die van Jaap. Dankzij de kantine, weten jullie gelijk ook hoe oud wij zijn. Meer gaf deze website helaas niet prijs dus moesten wij het doen met verhalen uit het eigen geheugen en die van de luisteraars waarvan erelid Gert van Dijk hofleverancier was.
In de kantine zelf, in een surrealistische omgeving en atmosfeer, hebben wij ruim een uur lang zitten ouwehoeren over een gebouw wat natuurlijk veel meer is dan een kadastrale inschrijving, meer is dan steen, muren, glaswol, glas en een dak van pvc. Het was een ontmoetingsplaats voor sociale cohesie, waar vriendschappen voor het leven werden gesmeed, waar overwinningen en kampioenschappen werden verklaard maar veel meer en met name in ons geval, waar een excuus werd gezocht en vaak ook werd gevonden voor nederlagen en teleurstellingen. In die omgeving namen wij de podcast op en de professionals van The Social Angels, daar waar wij doorgaans onze podcast mogen opnemen, gaven aan dat zij de ruis en de holle achtergrond eventueel nog wel konden wegwerken. Aangezien de kantine reeds in een ontmantelde fase was, was daar technisch gezien alle reden toe maar uit respect voor de verhalen, uit respect voor het verleden maar bovenal uit respect voor ONZE authentieke kantine hebben wij vriendelijk voor deze eer bedankt.
In 2087 als de kantine bovenin de Izaak Veerman Tribune hoognodig aan verbouwing of wellicht vervanging toe is, hoop ik dat de verhalen dan nog velen malen mooier, smeuïger en pikanter zijn dan die van ons. Alsjeblieft, stop ze niet in een laadje maar vertel ze. Ondanks de nog veel betere technieken die dan zonder twijfel voorhanden zijn, graag wel met ruis en holle achtergrond.
Tijmen Beekhuis
Afscheid (2): rietje
Het overgrote deel van de bezoekers van onze kantine had deze ochtend, zaterdag 7 februari, niet het flauwste vermoeden dat het de laatste dag was dat ons oude vertrouwde clubgebouw in gebruik was. Mijn broer Evert en ik hadden deze ochtend kantinedienst. Het was een ochtend die in niets afweek van een standaard zaterdagochtend in onze kantine. We tapten liters koffie weg, we gaven bezoekers uit Schalkwijk uitleg over de rivaliteit tussen Rood en Blauw, we begeleidden gedesoriënteerde elftalleiders naar het wedstrijdsecretariaat en verwezen supporters van het Assense ACV door naar ons dorpscentrum voor ‘kibbeling met uitzicht op onze museumhaven’. In de keuken was onze kok Lans Zwaan in de weer om tosti’s te bereiden terwijl voor de grote bar de jeugd gretig snoep, chips en blikjes fris bestelden.
Dat was ook het geval met twee Blauwe jochies die precies wisten wat ze wilden: een zakje paprikachips en een blikje Fristi. ‘Natuurlijk’ was mijn antwoord op de vraag van de moeder van één van de twee voetballertjes of ze er een rietje bij konden krijgen. Er waren er nog maar drie beschikbaar; een gele en twee rode. Het ene kereltje was er snel bij en greep het gele rietje. Z’n vriendje had nu de keus tussen rood en rood. Het mannetje keek mij vertwijfeld aan en ik wist wat hij ging vragen. Ik probeerde hem nog op andere gedachten te brengen door een verhaal op te hangen over de verkleuring door zonlicht waardoor het van oorsprong paarse rietje de schijn van rood had, maar het ventje trapte er niet in. ‘Ik ga zoeken of ik nog een ander rietje kan vinden’ zei ik tegen beter weten in. Want door de aanstaande verhuizing van de inboedel van onze kantine was het zoeken naar een nieuwe zak met rietjes zo goed als onbegonnen werk. Ik rommelde voor de vorm langdurig in een kast en liep vervolgens terug naar het kereltje om hem de onheilstijding te brengen. Maar dat was niet meer nodig. De moeder en de twee jochies waren verdwenen. Op de bar lagen drie rietjes als stille getuigen: een gele en twee rode. De bezoekers uit Schalkwijk keken mij met een holle blik aan.
Afscheid (3): ode
In de bespreking voor de door Tijmen hierboven benoemde podcast, waren we het er al snel over eens dat we de uitzending moesten beginnen met een ode aan de kantine. Deze ode mag uiteraard niet ontbreken in deze editie van ADR:
“Het einde is voor jou, Blauwe kantine, gekomen. Je hebt maar liefst 60 jaar trouwe dienst achter de rug. In die periode stond jouw deur altijd open en was je er voor iedereen. Je was er voor de voetbalouder, die zijn trots niet kon onderdrukken.
Je was er voor de uitsupporter, want jij maakte geen onderscheid.
Je was er voor de scheidsrechter, die onder jouw dak best wel een geschikte kerel was.
Je was er tijdens klaverjastoernooien, want jij verzaakte nooit.
Je was er met kampioenschappen en deinde mee met de massa.
Je was er voor de wedstrijdzenuwen en bood afleiding.
Je was er voor de schoolsportdag, want dat evenement kon je er prima bij hebben.
Je was er voor de schoonmaakploeg en gaf aan hen jouw diepste geheimen prijs.
Je was er tijdens ledenvergaderingen en hoorde besluiten die soms ook jou aangingen.
Je was er tijdens bittere nederlagen en bood relativering. Je was er tijdens corona en gaf anderhalve meter.
Je was er voor de bar- en keukenmedewerkers en was getuige van hun clubliefde.
Je was er tijdens de dorpsderby en gunde, zonder rancune, de sporthal het feest.
Je was er tijdens toernooien, blessureleed, bittere kou, teleurstelling en euforie.
Je was er voor, tijdens en na de wedstrijd.
Je was er altijd.
Maar je was er vooral voor ons.
Voor alle Blauwen.”
Hille Beekhuis